|
|
|
Op 14 september 2006 organiseert CAA Nederland (CAA=Computer
Applications in Archaeology) in Leiden een studiemiddagdag over het gebruik van
het AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland). Programma en samenvattingen Stand van zaken m.b.t. het AHN Een kort verhaal over de stand van zaken mbt het AHN, technische en
gebruikstechnische ontwikkelingen en de specifieke rol van de archeologen
daarbij. Het maken van digitale hoogtemodellen In deze bijdrage wil ik graag aangeven wat we wel en niet kunnen zien met
een AHN. En ik ben in deze overigens absoluut geen tegenstander van het gebruik
van een AHN. Maar omdat de meest bruikbare basis 5 bij 5 meter bedraagt, met
correctie, en tegelijk een momentopname is van een bepaald jaar, dreigt het
gevaar dat er teveel waarde wordt gehecht aan een AHN. Om dit duidelijk te maken toon ik als eerste het veelvoud aan mogelijkheden
voor de verwerking van hoogtematen met een vergelijkbaar raster, in gebieden
waar zonder AHN met ruwe gegevens gewerkt werd. In dat geval werden de maten met
een Total Station geregistreerd, en meestal met een vergelijkbaar raster als dat
van een AHN. In het tweede geval toon ik het verleden, zodat zichtbaar is wat we (mogelijk)
kunnen missen. Het doel van deze bijdrage is heel eenvoudig. Een AHN laat heel veel zien.
Maar zegt dit voldoende of genoeg voor een nieuw beleid, een waardeoordeel, of
voor een landschapsanalyse? Ik weet uit eigen ervaring dat we voor bepaalde
taken en voor bepaalde reconstructies heel goed kunnen werken met deze unieke
informatie, maar laten we ook de beperkingen voor specifiek archeologische
toepassingen niet uit het oog verliezen. (Tijdens deze bijdrage wordt vrijwel uitsluitend gebruik gemaakt van
voorbeelden uit de archeologische praktijk. Alleen om enkele theoretische
aspecten helder te kunnen visualiseren, is er sprake van een gesimuleerd model.
Maar dit zal tijdens de voordracht nadrukkelijk als zodanig kenbaar gemaakt
worden.) Site-opsporing met patroonherkenning in het AHN Sinds het vrijkomen van AHN gegevens bestaat er een groot gegevensbestand
met waardevolle archeologische informatie. Tot op heden bestaan er echter geen
standaard methoden voor het doorzoeken van de gegevens. Hierdoor zijn de
resultaten van “AHN analyses” vaak afhankelijk van de ervaring en kunde van
de onderzoeker. In het kader van een studie van de RACM (voorheen ROB) is
daarom een verkennende studie uitgevoerd waarin een korte analyse is gemaakt van
de bestaande methodieken en de mogelijke toepassing hiervan – mede met
ondersteuning van TNO. Van alle mogelijke technieken is, in de verkennende
studie gekozen voor het testen van een template
techniek voor het opsporen van
grafheuvels in AHN gegevens van een bosgebied van de Veluwe. Bij deze techniek
wordt een model geconstrueerd die het te zoeken object voorsteld (de template en
wordt in de gegevens gezocht naar de gelijkenis met de template door vlakdekkende de correlatie uit te rekenen. Deze
techniek was relatief eenvoudig te implementeren en het op te sporen object is
eenvoudig te modeleren. Daarnaast bestaat er een referentie database (ARCHIS)
van bekende grafheuvels zodat de resultaten konden worden beoordeeld. Van een onderzoeksgebied van ca. 10 bij 5 km is op basis van de gefilterde
basisbestanden en kriging interpolatie een DTM gemaakt. Hiervan is de correlatie
met een grafheuvel template berekend.
In het resulterende beeld is op veel locaties de correlatie hoog; dit zijn zgn.
potentiële grafheuvel locaties. Uit een vergelijking met waarnemingen uit de
ARCHIS database blijkt dat nabij vrijwel alle bekende grafheuvels, ook een piek
in de correlatie aanwezig is; het is dus goed mogelijk om bekende grafheuvels
“op te sporen”. Dit betekent dat de template blijkbaar goed is gekozen en voldoende overeenkomsten toont
met een grafheuvel, en dat de techniek goed is geïmplementeerd. Behalve de pieken bij bekende grafheuvels, zijn er echter nog veel meer
potentiële grafheuvel locaties. Of dit daadwerkelijk grafheuvels zijn, moet
door veldonderzoek worden gecontroleerd.
Het Actueel Hoogtebestand van
Nederland is inmiddels niet meer weg te denken uit de archeologische wereld. Met
name in het kader van grotere bureaustudies wordt het AHN inmiddels bijna
standaard betrokken. Voorbeelden van dergelijke bureaustudies zijn de Hanzelijn,
Oostelijk Westfriesland en Agriport A7. Daarnaast wordt in IVO’s steeds vaker
gebruik gemaakt van het AHN. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in de
grotere projecten zoals de Maaswerken maar ook bij kleinere boorprojecten en
proefsleuven worden AHN-analyses gebruikt. Verschillende provincies hebben AHN-data
laten bewerken tot beelden die beschikbaar worden gesteld voor archeologisch
onderzoek, bijvoorbeeld de provincies Gelderland en Flevoland. Ook gemeenten
laten AHN-beelden vervaardigen voor archeologisch onderzoek zoals onder andere
Ede en IJsselstein. Inmiddels is duidelijk gebleken dat
er niet zoiets bestaat als “het” AHN-beeld. Elke vraagstelling kent immers
zijn eigen benadering en de “trukendoos” is nog volop in ontwikkeling. Aan de hand van enkele onderzoeken
in de gemeenten Gouda, Sneek en Noorder Koggenland zal worden geprobeerd
knelpunten aan te geven in het gebruik van het AHN binnen het huidige
archeologische bestel. Het AHN, een blik vooruit
|